Interview met OSCAR MOONEN (Managing Director, Professional-Consulting): Het Vlaamse milieubeleid – VLAREM kritisch onder de loep

3 september 2020

De milieuwetgeving in Vlaanderen is de voorbije decennia uitgegroeid tot een complex geheel van voorwaarden. Bedrijven en particulieren lopen vaak verstrikt in een kluwen van spelregels die bovendien regelmatig wijzigen. Toch is het belangrijk om deze spelregels zo goed mogelijk te respecteren in de strijd tegen milieuverontreiniging en veiligheidsrisico’s. We vroegen Oscar Moonen, zelfstandig milieuconsultant, om het Vlaamse milieubeleid kritisch toe te lichten.

Kunt u beknopt de voorgeschiedenis en inhoud van het Vlaamse milieuvergunningsdecreet toelichten?

Oscar Moonen: “Door de staatshervorming van 1980 werd in ons land de bescherming van het leefmilieu – en bijhorende verantwoordelijkheden – overgeheveld van het federale naar het gewestelijke niveau. Vóór de staatshervorming was deze materie in Vlaanderen hoofdzakelijk geregeld via het ARAB, het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming.

De regelgeving in het ARAB – die terugging tot 1947 – raakte compleet verouderd, met bovendien amper inhoudelijke milieuverplichtingen voor bedrijven. Om komaf te maken met dit kluwen van complexe spelregels, met onder andere aparte regelingen voor het opslaan van afvalstoffen en het lozen van afvalwater, tekende Vlaanderen een nieuw wetgevend kader uit. Dit startte met het Vlaamse milieuvergunningsdecreet, in eerste instantie aangevuld met twee uitvoeringsbesluiten, namelijk VLAREM I en II.

Met deze nieuwe wetgeving had de Vlaamse regering de ambitie om de verouderde en versnipperde regelgeving te moderniseren en te integreren in één regeling, namelijk die van de milieuvergunning. Deze fungeerde als ‘spons’ die heel wat oude vergunningen opslorpte: van exploitatievergunning en lozingsvergunning over de vergunning voor de verwijdering van afvalstoffen tot zelfs de vergunning voor het recreatief gebruik van motorvoertuigen en motorrijwielen.”

Hoe passen de verschillende delen van het VLAREM-uitvoeringsbesluit in deze historiek?

OM: “Het VLAREM – het Vlaams Reglement betreffende de Milieuvergunning – bestond uit drie delen. VLAREM I werd op 1 september 1991 van kracht. Het vult niet alleen de meeste bepalingen van het Milieuvergunningsdecreet in, maar bevat ook enkele algemene principes waaraan elk vergunningsplichtig bedrijf moet voldoen. Daarnaast bevat VLAREM I ook de bepalingen over hoe vergunningsprocedures verlopen, inclusief openbaar onderzoek, inhoud van de aanvraagdossiers, verloop van de beroepsprocedures, enzovoort. In de zogenaamde Bijlage 1 vind je een lijst van hinderlijke inrichtingen: als een (bedrijfs)activiteit in deze lijst vermeld stond, was dit het signaal om een milieuvergunning of melding aan te vragen. Hierbij wil ik al meteen een kritische kanttekening maken.

Waarom bent u kritisch over de inhoud van het huidige indelingslijst?

De indelingslijst van hinderlijke inrichtingen is de voorbije decennia constant aangevuld, met hier en daar ook enkele versoepelingen. Maar anderzijds heeft de wetgever ook heel wat nieuwe rubrieken toegevoegd. De vroegere indelingslijst was alfabetisch opgebouwd, maar in de huidige lijst is een gestructureerde aanpak soms ver te vinden omdat die nieuwe rubrieken simpelweg achteraan de lijst toegevoegd zijn.

Milieuspecialisten slagen er wellicht nog in om hierin hun weg te vinden, maar vele niet-specialisten zien door de bomen het bos niet meer. Tot overmaat van ramp wordt het opzoekingswerk extra lastig door een gebrek aan logica bij de indeling. Een voorbeeld: vele bedrijven hebben vandaag koelinstallaties (airco-installaties). Als leek in de milieuwetgeving heb je – terecht – de reflex om in de indelingslijst van VLAREM op zoek te gaan naar een rubriek airco’s of koelinstallaties, maar die rubrieken bestaan eenvoudigweg niet. In werkelijkheid moet men de rubriek ‘gassen’ consulteren, omdat in een koelgroep gassen samengeperst en ontspannen worden. Dit is slechts één voorbeeld dat voor heel wat nervositeit kan zorgen…”

Hoe sluit de inhoud van VLAREM II en III aan op VLAREM I?

OM: “In VLAREM II – dat in 2019 voor de laatste maal grondig aangepast werd – staan alle milieuvoorwaarden opgesomd waaraan een organisatie zich moet houden als ze een hinderlijke of risicovolle activiteit wil uitvoeren. Concreet gaat het zowel om algemene als sectorale voorwaarden die van toepassing zijn op inrichtingen van een bepaalde rubriek uit de indelingslijst.

Daarnaast tekent VLAREM II ook de krijtlijnen uit voor milieukwaliteitsnormen, en dit voor geluid, oppervlaktewater en grondwater, bodem en lucht. Belangrijk om weten is dat VLAREM II ook algemene voorwaarden vastlegt voor niet-ingedeelde inrichtingen (lees: particulieren). Want ook een particulier die een te luid buurtfeestje organiseert, verfborstels uitspoelt in de riolering of een lekkende stookolietank niet laat herstellen, loopt het risico op hoge straffen of boetes.

VLAREM III voorziet milieuvoorwaarden voor bedrijven die een grotere milieu-impact hebben, de zogenaamde GPBV-inrichtingen. GPBV staat voor ‘Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging’. Deze bedrijven zijn onderworpen aan de Europese richtlijn inzake Industriële Emissies en moeten maximaal rekening houden met de Beste Beschikbare Technieken (BBT). In het verleden tikte Europa de Vlaamse overheid regelmatig op de vingers omdat de Europese spelregels niet voldoende geïmplementeerd waren in VLAREM II. Uiteindelijk trok onze overheid aan het kortste eind, waardoor deze bedrijven moesten voldoen aan extra voorwaarden die werden opgenomen in VLAREM III. Nog niet alle sectoren worden in VLAREM III met aanvullende voorwaarden geconfronteerd, maar ik verwacht dat dit de komende jaren – onder druk van Europa – snel zal veranderen. Momenteel zijn er een dertiental sectoren die rekening moeten houden met extra spelregels, zoals onder andere papier- of glasproducerende bedrijven, ondernemingen in de houtnijverheid en pluimvee- of varkenshouderijen.”

Welke impact had de lancering van de Vlaamse omgevingsvergunning op deze materie?

OM: “Op 23 februari 2017 gaf de Vlaamse overheid het officiële startschot voor de omgevingsvergunning. Concreet zorgde deze maatregel ervoor dat het milieuvergunningsdecreet ‘begraven’ werd en vervangen werd door het omgevingsdecreet. Het VLAREM I-uitvoeringsbesluit werd herdoopt in het omgevingsvergunningsbesluit. De voorwaarden in VLAREM II en III werden wel behouden.

De procedure rond vergunningen kreeg een ingrijpende facelift, met een integrale aanpak van het bouwtechnisch en milieutechnisch luik. De indiening van een project gebeurt nu via een digitaal loket, waarbij de bevoegde overheid de aanvraag integraal beoordeelt. De belangrijke bijlage 1 (met hinderlijke of risicovolle activiteiten) verhuisde naar VLAREM II en krijgt periodiek een update met wijzigingen en aanvullingen.”

Er zijn drie niveaus van hinderlijke of risicovolle activiteiten, klopt?

OM: “Dat klopt. In principe leidt een ondergrondse mazouttank niet tot hinder, al kan een eventueel lek toch een risico inhouden. Anderzijds zijn er heel wat fabrieken met productiemachines die hinder veroorzaken op het vlak van de uitstoot naar lucht, water of geluid.

Qua hinder of risico voorziet de wetgever drie risicoklassen. Bedrijven met een laag risiconiveau vallen onder klasse 3. Bij een gemiddeld risiconiveau geldt klasse 2, terwijl een hoog risiconiveau een bedrijf in klasse 1 onderbrengt. Wat particulieren betreft, voorziet de Vlaamse overheid in de lijst van hinderlijke inrichtingen dat een modaal gezin geen meldingen van risicovolle activiteiten moet doen omdat ze het laagste risiconiveau (klasse 3) niet bereiken. In de praktijk kan het uiteraard wel gebeuren dat een gezin een risicovolle milieuactiviteit uitvoert – ik denk hierbij bijvoorbeeld aan het verwarmen van een huis met een warmtepomp –, maar een opvolging van alle dossiers naar de letter van de wet zou een massa extra administratief en controlewerk veroorzaken. Daarom past de overheid hier in de praktijk een gedoogbeleid toe.

Naast de drie risicoklassen moeten bedrijven eventueel ook rekening houden met een aantal Europese verordeningen, zoals de bekende Seveso-richtlijn – waarvan sinds 2012 een derde versie van toepassing is – of een richtlijn voor (zeer grote) bedrijven die broeikasgassen uitstoten. Deze bedrijven moeten dus voldoen aan een pakket aanvullende voorwaarden.”

Staat de Vlaamse wetgeving juridisch gezien op gelijke hoogte als de Europese wetgeving?

OM: “Vanuit juridisch perspectief is er een rangschikking qua milieuwetgeving, waarbij de hoogste regelgeving altijd voorrang heeft op lagere spelregels. Gemeentes hebben bijvoorbeeld specifieke milieuvoorschriften, maar de VLAREM-voorschriften hebben voorrang als deze strenger zijn. Voor stookinstallaties bestaat dan ook Belgische regelgeving, die op haar beurt voorrang heeft op de Vlaamse wetgeving. De Belgische spelregels worden overruled door Europese verordeningen.

In het algemeen krijgt Europese regelgeving vorm via richtlijnen die vertaald worden naar nationale specifieke regelgeving. Daarnaast zijn er ook verordeningen die van toepassing zijn binnen alle lidstaten. Een bekend voorbeeld is de CLP-verordening (die op 20 januari 2009 in werking trad) die de regels vastlegt op het vlak van indeling, etikettering en verpakking van (gevaarlijke) stoffen en mengsels. Deze verordening is wettelijk bindend in alle Europese lidstaten en ook rechtstreeks van toepassing in alle bedrijfstakken.

Typisch voor ons land is echter dat gevaarlijke (chemische) stoffen ook beschreven zijn in (boek VI van) de Codex voor Welzijn op het Werk. Hierbij wordt echter geen rekening gehouden met de nieuwe indeling van een aantal gevarenklassen wat bijvoorbeeld het brandpunt van gevaarlijke stoffen betreft. In ons land is er dus een verschil tussen het Vlaams wetgevend kader en het Belgische welzijnskader. Aan de twee voldoen is in de praktijk soms moeilijk.”

Kunt u het principe en de werking van de VLAREM-trein kort toelichten?

OM: “De overheid streeft ernaar om eenmaal per jaar de omgevingswetgeving grondig onder de loep te nemen (zowel in het luik stedenbouw als milieu) en waar nodig wijzigingen te voorzien. Alle voorgestelde wijzigingen worden gebundeld in een zogenaamde VLAREM-trein (soms ook wel omgevingstrein genoemd), die dus een bundeling geeft van verschillende wijzigingen voor diverse activiteiten en sectoren. In plaats van wijzigingen maandelijks door te voeren, opteert de overheid voor een efficiënte en overzichtelijke bundeling die in één keer doorgevoerd wordt. Je zou het principe kunnen vergelijken met de Potpourri-wetten bij Justitie.

Deze werkwijze laat ook toe dat bedrijven een jaar op voorhand kunnen inschatten welke nieuwigheden op komst zijn. Op die manier kunnen ze hierop anticiperen.

De laatste VLAREM-trein (2017) werd in oktober 2019 van kracht, met opnieuw een mix van uiteenlopende wijzigingen: het opheffen van het systeem van ‘integrale voorwaarden’, een vertaling van diverse BBT-studies, zoals lozing van verontreinigd hemelwater voor de afvalopslagsector, de invoering van MER-coördinatoren, een aanpassing naar aanleiding van het stooktoestellenbesluit en milieuhandhavingsbesluit, enzovoort.

In een volgende VLAREM-trein (2019) is onder andere voorzien dat shuntreactoren vergunningsplichtig worden, de indelingsplicht voor vast opgestelde batterijen en batterijladers geschrapt wordt, soepelere regels zullen gelden voor containerparken voor de afvoer van afvalstoffen en diverse verstrengingen toegepast worden met betrekking tot grondwaterwinning.”

Hoe beoordeelt u de evolutie en toepassing van de Vlaamse milieuwetgeving tijdens de voorbije jaren?

OM: “Dit is een moeilijke vraag, want in de praktijk stel ik vast dat heel wat bedrijven vrij kritisch zijn over de spelregels waarmee ze rekening moeten houden. De doorgedreven digitalisering van de laatste jaren – via het omgevingsloket – zou een vooruitgang moeten zijn, maar in de praktijk komt deze trein slechts moeizaam op gang. Bovendien vind ik persoonlijk dat de digitalisering het ‘gewicht’ en het belang van een omgevingsvergunning ondermijnt. Bij een klassieke administratieve procedure kreeg men vroeger een vergunning op papier met een bundeling van diverse voorwaarden. Vanuit ecologisch standpunt is dit uiteraard niet de beste oplossing, maar deze werkwijze gaf wel extra gewicht aan een vergunning en het belang ervan. Vandaag ontvangt men enkel een e-mail, samen met een pdf-document, waardoor de waarde en het belang van een vergunning compleet anders gepercipieerd wordt.

Vanuit mijn ervaring als extern consultant en lesgever stel ik ook vast dat bedrijven te weinig proactief nagaan of ze bepaalde milieuvraagstukken correct aanpakken. Het gaat hierbij voornamelijk om kmo’s die zich in risicoklasse 1 en 2 bevinden. Enerzijds is dit begrijpelijk, omdat voor vele bedrijfsleiders de milieuthematiek niet tot de corebusiness van hun activiteiten behoort. Maar anderzijds vind ik dit een gemiste kans, omdat anticiperen op mogelijke omgevings- of milieugerelateerde problemen heel wat ellende en bijhorende zware boetes kan vermijden. Die proactieve aanpak zie ik wel bij bedrijven die een milieucoördinator hebben, waarbij hij of zij minstens een kwartaalrondgang doet en hierdoor tijdig mogelijke problemen kan opsporen.

In het verlengde hiervan vind ik de overheidscommunicatie over de verschillende vergunningsvoorwaarden ondermaats. De Vlaamse overheid blinkt uit in het maken van nieuwe regels, maar verstopt ze ergens in het VLAREM, zonder hierover duidelijk te communiceren en te sensibiliseren. Het zou naïef zijn te denken dat de modale particulier of bedrijfsleider spontaan regelmatig een kijkje gaat nemen op de website van de Vlaamse overheid om zijn of haar kennis over nieuwe regelgeving bij te spijkeren. Die communicatie moet de overheid veel kordater aanpakken via diverse communicatiekanalen, van affiches langs wegen over het uitdelen van brochures in het postkantoor tot tips en adviezen op belastingbrieven en facturen. Onze beleidsmakers kunnen alvast een voorbeeld nemen aan onze noorderburen, waar in postkantoren diverse sensibiliserende brochures beschikbaar zijn.

Zo zijn in ons land heel wat voorschriften rond bijvoorbeeld de installatie en het gebruik van aircotoestellen niet of nauwelijks gekend bij bedrijven. Men laat een toestel weliswaar periodiek onderhouden, maar dit is niet hetzelfde als het laten uitvoeren van een lektest of een energiekeuring voor koelgroepen. Idem voor verwarmingsaudits van verwarmingsinstallaties bij particulieren thuis: de meeste mensen laten enkel het jaarlijks of tweejaarlijks onderhoud van hun installatie doen, maar een grondige audit bij een particulier is eerder uitzondering dan regel. Die onwetendheid aanpakken bij bedrijven en particulieren is dus zeker een belangrijk aandachtspunt.”

Hoe wordt de Vlaamse milieuregelgeving aangepast aan de noden van de sectoren en aan de evolutie van de techniek?

OM: “Ik verwacht dat VLAREM in de toekomst verder zal aandikken, wat geen goede evolutie is. De wetgeving wordt steeds complexer en de implementatie ervan steeds moeilijker te sturen. Overtredingen worden steeds meer louter juridisch in plaats van milieutechnisch beoordeeld. Voor bedrijven en particulieren maakt die trend de regelgeving nog complexer, waarbij we als consultant vaak de achterliggende boodschap horen: “zolang ik geen klachten hoor, zal het wel in orde zijn”.

De manier waarop de federale en Vlaamse overheid wetgeving uittekenen, geeft teveel interpretatieruimte en bevordert het opzoeken van achterpoortjes, zeker in vergelijking met hoe het beleid in Nederland vorm krijgt. Bij onze noorderburen is het omgevingsrecht een pak compacter en consequenter, terwijl de voorwaarden toch niet soepeler zijn.”

Hoe omschrijft u de verschillende aanpak tussen België/Vlaanderen en Nederland?

OM: “Een van de belangrijke verschillen voor bedrijven is dat in Nederland een vergunning als het ware ‘vastgeklikt’ wordt aan voorwaarden. Of anders gezegd: bij een vergunning voor een tienjarige termijn ontvangt men ook een vaste set van voorwaarden voor de komende tien jaar. Die werkwijze creëert rechtszekerheid en continuïteit, en zorgt tegelijk voor een efficiënte aanpak.

In Vlaanderen kan men ook een vergunning krijgen met een set aan voorwaarden, maar als morgen VLAREM II of III wijzigt, dan moet men zich in regel stellen met die nieuwe voorwaarden. Ook grote bedrijven moeten de best beschikbare technologie toepassen, met een overgangsperiode van vier jaar. Maar voor grote industriële installaties is een termijn van vier jaar soms zeer kort, ook vanwege de grote budgetten die soms nodig zijn om installaties aan te passen aan nieuwe richtlijnen.

Ik stel vast dat vele bedrijven liever strengere voorwaarden hebben die voor een langere periode vastliggen, dan soepelere voorwaarden die steeds opnieuw aangepast worden. Bedrijfsleiders en milieuverantwoordelijken willen een duidelijk perspectief op lange termijn, geen lappendeken van richtlijnen dat voortdurend van kleur of vorm verandert.”

Welke impact heeft de huidige coronacrisis op de toepassing en controle van VLAREM-verplichtingen? Zijn er bijvoorbeeld uitsteltermijnen voor controles?

OM: “Op deze vraag kan ik geen eenduidig antwoord geven, omdat de concrete situatie per bedrijf zeer verschillend kan zijn. Sommige controles hangen ook af van de aan- of afwezigheid van potentiële risico’s. Als een bedrijf gesloten is omwille van coronamaatregelen, dan blijven sommige risico’s toch aanwezig, zoals bijvoorbeeld bij een ondergrondse (volle) mazouttank. Maar voor controles op bijvoorbeeld het lozen van afvalwater of luchtemissies is er wel steeds een link met de exploitatie. Als in een bedrijf geen activiteiten zijn, dan zijn er logischerwijze ook geen metingen op afvalwater nodig. In dergelijk geval is een opschorting van controles dus perfect te verantwoorden. Maar in andere gevallen moeten keuringen wel uitgevoerd worden. De overheid laat toe dat deze controles uitgesteld worden, die dan achteraf ingehaald moeten worden. Toch raad ik aan om – in de mate van het mogelijke – alle controles te laten doorgaan.

In volle coronaperiode was er in sommige bedrijven net méér activiteit, terwijl er bij andere een beperkte activiteit was. In die laatste situatie kan er ook meer risico en hinder optreden voor omgeving en milieu. Want als er minder medewerkers aanwezig zijn op een productiesite of in bedrijfsgebouwen, dan zijn er ook minder mogelijkheden om bij calamiteiten in te grijpen. Minder activiteit in een bedrijf is dus niet automatisch synoniem voor minder hinder of risico.

In dit verband moet ik alweer een verbeterpunt aanhalen wat de Vlaamse wetgeving betreft. In de indelingslijst van hinderlijke inrichtingen in VLAREM I wordt bij de meeste rubrieken voornamelijk rekening gehouden met het aspect geïnstalleerd vermogen voor de bepaling van hinderlijkheid. Maar bij hinderlijkheid maakt het echter een groot verschil uit of een systeem 1 uur of 24 uur draait. Bij zeer veel rubrieken wordt hier dus geen rekening mee gehouden.”

U presenteert drie VLAREM-webinars voor Confocus. Wat is de inhoud per webinar?

OM: “De webinars die ik in opdracht van Confocus presenteer, zijn nuttig voor zowel milieucoördinatoren als (interne) milieuverantwoordelijken. In de webinar ‘VLAREM: algemene exploitatievoorwaarden voor industriële activiteiten’ focus ik samen met hen op algemene bepalingen in de milieuhygiënewetgeving die van toepassing zijn om hinder en verontreinigingen te voorkomen. Deze algemene voorwaarden zijn voor alle organisaties van toepassing en dienen vaak als basis voor een aanmaning of proces-verbaal na een controle van de milieuinspectie, vaak na een klacht uit de omgeving over bijvoorbeeld geur- of lawaaihinder.

Een zeer belangrijk thema hierbij is de opslag van afvalstoffen. Er bestaat een indelingsrubriek voor bedrijven die afvalstoffen opslaan en verwerken met specifieke voorwaarden, maar voor zelfgeproduceerde afvalstoffen is deze rubriek niet van toepassing. Dit betekent echter niet dat men afvalstoffen zomaar buiten op onverhard terrein mag plaatsen. De bepalingen voor het veilig opslaan van afvalstoffen zitten verwerkt in de algemene voorwaarden. Vroeger verwees de wetgever naar rubriek 17 (‘Gevaarlijke stoffen’) in bijlage 1 van VLAREM, maar door de invoering van de Europese CLP-verordening is dit niet meer zo. Het ontbreken van een vergunningsplicht leidt echter niet automatisch tot het schrappen van voorwaarden. Want bij gevaarlijke stoffen komt soms ook het aspect bodem in beeld, inclusief bodemsanering bij vervuiling. Dit zijn vaak zeer dure operaties. Voor dit thema verwijs ik graag naar het interview met Johan Ceenaeme op de website van Confocus.

Bij de webinar ‘VLAREM: verplichtingen met betrekking tot industriële emissies water’ besteed ik aandacht aan de impact en gevolgen van het lozen van afvalwater. Industriële bedrijven veroorzaken vaak specifieke verontreinigingen met hun lozingen. Zij moeten rekening houden met strenge normen waaraan afvalwater moet voldoen. In functie van hun activiteit hebben grote lozers specifieke lozingsvoorwaarden opgelegd gekregen die periodiek gecontroleerd moeten worden.

Maar bij afvalwater komt ook het element afvalwaterheffing om de hoek kijken. Bij lozing moet afvalwater immers gezuiverd worden, en hiervoor rekent de Vlaamse overheid een heffing aan. Men moet er dus voor zorgen dat het afvalwater aan de geldende normen voldoet, maar daarnaast ook de nodige inspanningen doen om afvalwater zo zuiver mogelijk te lozen, omdat dit een lagere heffing oplevert. Daarbij komt ook dat sommige bedrijven al dan niet bewust illegaal grondwater oppompen dat later ook geloosd wordt (eventueel gecombineerd met opgevangen hemelwater), maar waar de hoeveelheden niet officieel opgegeven worden. Dit kan de bedrijfsleiding zuur opbreken bij een eventuele controle. Een rechtzetting leidt immers tot een boete die zeer hoog kan oplopen, en bovendien meestal retroactief wordt toegepast.

Niet enkel industriële bedrijven moeten hier voldoende waakzaam zijn. Ook kantoorgebouwen kunnen in het vizier komen wat het lozen van afvalwater betreft. Vanaf 500 m³ afvalwater per jaar wordt men als een grootverbruiker beschouwd. Die bovengrens wordt snel bereikt in een kantoorgebouw waar 30 à 40 werknemers aanwezig zijn.

En nog dit: door de link van de stedenbouwkundige vergunning met de milieuvergunning is er vaak de verplichting om hemelwater op te vangen en te gebruiken. De overheid weet dus beter dan vroeger welke gebouwen regenwater opvangen en gebruiken wat dient te worden aangegeven in de afvalwater aangifte. Het zal niet lang meer duren vooraleer beide databanken aan elkaar gekoppeld worden en discrepanties aan de oppervlakte zullen komen.

In de webinar ‘VLAREM: verplichtingen met betrekking tot industriële emissies lucht’ tenslotte ga ik dieper in op nieuwe BBT-studies en enkele recente Europese reglementeringen, aangevuld met een toelichting van enkele specifieke emissievereisten van sectoraal ingedeelde installaties en stookinstallaties. In tegenstelling tot het lozen van afvalwater zijn luchtemissies veel beter zichtbaar voor de omgeving die hiervan hinder kan ondervinden. Een schoorsteen met zwarte rook is vanop grote afstand te zien, wat knipperlichten doet afgaan bij derden. Deze webinar is trouwens ook interessant in het kader van het groeiend belang van de strijd tegen fijn stof. Huidige metingen focussen vooral op het meten van stof, met specifieke normen per sector. Binnenkort zal Europa echter nieuwe normen uitvaardigen op het vlak van fijn stof. Heel wat bedrijven hebben nog nooit metingen gedaan naar fijn stof, wat dus nog onbekend terrein is. De Vlaamse overheid en onze bedrijven zullen zeker een tandje moeten bijsteken op dit vlak, want jammer genoeg is onze regio een van de slechtere leerlingen van de klas. Wordt dus ongetwijfeld vervolgd…”

Hartelijk dank voor dit interview.

Auteur: Geert Van Cauwenberge