Interview met STEFAN RUYSSCHAERT (adviseur FOD Financiën): Btw-eetjes: eindelijk een antwoord op btw-vraagstukken waarvan cijferberoepers, advocaten en ondernemers wakker liggen

01 oktober 2020

De btw-wetgeving in ons land is complex en wijzigt razendsnel. Als cijferberoeper, praktijkjurist of ondernemer is een goede basiskennis van de btw-spelregels onmisbaar. In de praktijk duiken immers regelmatig ogenschijnlijk eenvoudige btw-vragen op, die vaak toch de nodige twijfel oproepen of geen kant-en-klaar antwoord hebben. Met de Btw-eetjes-boekenreeks en -webinars wil Stefan Ruysschaert, Adviseur bij de FOD Financiën, veelvoorkomende vragen beantwoorden.

Kun je kort toelichten waarom boekhouders, accountants, ondernemers en praktijkjuristen de btw-eetjes-webinars niet mogen missen?

Stefan Ruysschaert: “Vanuit mijn jarenlange ervaring als btw-controleur en -adviseur, lesgever en auteur voel ik goed aan van welke btw-vraagstukken deze doelgroepen wakker liggen. De voorbije jaren heb ik een heel arsenaal van btw-tips opgebouwd dat ik continu aftoets aan de recentste wetgeving. Op vraag van Confocus presenteer ik compacte on demand webinars, waarbij ik inzoom op veelvoorkomende praktijksituaties die als bron dienen om specifieke casussen te bespreken.

Tijdens deze webinars van telkens een uur behandel ik ogenschijnlijk eenvoudige btw-issues waarvan de oplossing vaak voor de hand lijkt te liggen. Maar vaak zien we hier dat schijn bedriegt, en dat – als we een btw-vraagstuk dieper uitspitten – nieuwe vragen opduiken. Dat maakt sommige vraagstukken zeer boeiend, waarbij vele antwoorden niet in klassieke btw-handboeken of commentaren te vinden zijn.

Ik maak er een punt van dat de behandelde btw-topics up-to-date en to-the-point zijn, die bovendien vaak opduiken bij btw-controles. Dat maakt deze btw-weetjes-webinars extra interessant voor cijferberoepers, ondernemers en praktijkjuristen die proactief hun btw-kennis willen bijspijkeren en een volwaardige sparring partner willen zijn voor een btw-controleur. Last but not least geef ik ook praktische tips en tricks om – binnen het wettelijk kader – optimalisaties te realiseren.”

Klopt het dat deze webinars gebaseerd zijn op de boekenreeks ‘Btw-eetjes’ waarvan je auteur bent?

SR: “Dat klopt. Met deze boekenreeks – die momenteel al uit 16 delen bestaat, uitgegeven bij Maklu – wil ik de lezers op een bondige en vlot leesbare manier door frequent voorkomende btw-vragen gidsen, zonder weliswaar in te boeten op inhoudelijke kwaliteit en volledigheid. Door de snel wijzigende btw-wetgeving, die bovendien alsmaar complexer wordt, ontbreekt het me vrijwel nooit aan inspiratie om praktijkcases op papier te zetten. Ik vind het dan ook een aantrekkelijke uitdaging om voor de Confocus-klanten een ‘best of’ in de kijker te zetten. Elk webinar duurt slechts een uur, dus deelnemers krijgen een maximale hoeveelheid info binnen een kort tijdsbestek.”

Hoe selecteer je specifieke thema’s voor deze ‘best of’?

SR: “Uit ervaring en dankzij mijn vele contacten ‘in the field’ kan ik goed inschatten in welke sectoren regelmatig btw-knelpunten opduiken. Klassiekers zijn bijvoorbeeld aftrek van btw, doorrekening van kosten, het al dan niet vrijgesteld zijn van btw-prestaties en terbeschikkingstelling van personeel. Ook handelsverkeer met buurlanden wordt vanuit btw-oogpunt steeds complexer, met specifieke aandacht voor de uitvoer van intracommunautaire handelingen. Qua sectoren staan vooral de vastgoed- en bouwsectoren in de kijker. Maar ook het klassieke doelpubliek van Confocus (advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders, magistraten,…) moeten sinds de invoering van de btw-plicht alert blijven (in 2014 voor notarissen en gerechtsdeurwaarders en in 2016 voor advocaten). Mijn btw-collega Koen Dewilde van VATSQUARE presenteert voor Confocus trouwens een specifiek on demand webinar over het thema ‘btw en advocaten’.”

“Vaak lijken oplossingen voor btw-knelpunten voor de hand te liggen. Maar vaak is het nodig om dieper in een btw-dossier te graven.”

Kun je enkele voorbeelden geven van vragen die je tijdens jouw webinars behandelt?

SR: “Absoluut. Als eerste voorbeeld verwijs ik naar de vastgoedsector. Stel: een huurder vertrekt uit een pand en laat schade achter, waarna de verhuurder de waarborg inhoudt. Is over deze waarborg btw verschuldigd? Op het eerste zicht lijkt dit een zeer eenvoudige vraag, met een al even kort antwoord (‘neen, er is geen btw verschuldigd omdat het om een schadevergoeding gaat’).

Het wordt echter ingewikkelder als we dezelfde vraag stellen bij de reservatie van een hotelkamer, waarbij de hoteluitbater een voorschot vraagt – wat trouwens een foutieve term is – waarbij op de geboekte datum de aanvrager niet komt opdagen. Is in dit geval het bedrag een voorschot op een te verwachten hoteldienst, en dus als aanbetaling aan btw onderworpen? Of wordt het bedrag als schadevergoeding gekwalificeerd die niet onderworpen is aan btw?

Die ogenschijnlijk eenvoudige vraag wordt dus al wat complexer, omdat een arrest van het Hof van Justitie stelt dat de betaling van een voorschot in casu niets te maken heeft met een individualiseerbare prestatie die op termijn gepland is, meer bepaald de betaling van een hotelkamer. In het arrest lezen we dat het enkel gaat om het vastleggen – dus een garantie of waarborg – dat er een prestatie zal volgen. Het inhouden van een bedrag heeft dus geen enkel verband met de hoteldienst op zich en neemt daarom de vorm aan van een schadevergoeding.

Een tweede voorbeeld gaat over de btw-aftrekbeperking van bedrijfswagens. Een bestuurder van een managementvennootschap heeft tegelijk een exploitatievennootschap en wil een wagen kopen. De bank wil echter geen lening toekennen aan de bestuurder en zijn (management)vennootschap, maar enkel aan de exploitatievennootschap. Bij aankoop van de wagen door de exploitatievennootschap gebeurt er een volledige btw-aftrek, waarna de aankoopkost doorgefactureerd wordt aan de managementvennootschap. In hoofde van die laatste wordt de autokost beperkt tot 50 procent. Het gevolg hiervan is echter dat de btw-controleur hiermee niet akkoord gaat, vanuit de veronderstelling dat een aftrekbeperking tweemaal toegepast moet worden, in hoofde van beide vennootschappen. De vraag rijst of dit correct is, want dergelijke situatie komt immers zeer onrechtvaardig en onlogisch over. Het antwoord op deze veelvoorkomende vraag luidt dat, op basis van de huidige wetgeving, effectief tweemaal een aftrekbeperking van 50 procent van toepassing is.

Kan dergelijke situatie niet verholpen worden door bijvoorbeeld de oprichting van een btw-eenheid?

SR: “Dat is effectief een mogelijke piste om slechts eenmaal een aftrekbeperking te voorzien, met name in hoofde van de exploitatievennootschap. Met andere woorden: door de oprichting van een btw-eenheid tussen beide vennootschappen zal op de doorfacturering tussen de exploitatie- en managementvennootschap geen btw verschuldigd zijn omdat dit binnen een btw-eenheid gebeurt.

Let wel: enkel dit element is onvoldoende om een btw-eenheid op te richten. Het sop moet de kool waard zijn, want de oprichting van een btw-eenheid is uiteraard niet gratis. Bovendien is een btw-eenheid in sommige situaties niet altijd gewenst en/of niet steeds mogelijk.”

In de btw-eetjes besteed je ook aandacht aan zeer actuele (coronagerelateerde) btw-valkuilen, klopt dit?

SR: “Dat klopt. Een relevante case als gevolg van de COVID-19-crisis gaat over de betaling van huur voor bedrijfsgebouwen zonder dat hier bedrijfsomzet tegenover staat. Ik voorspel dat dit op korte termijn een bron wordt van heel wat faillissementen in diverse sectoren, en niet enkel de risicogevoelige. Een van de mogelijke denkpistes als oplossing is dat men als verhuurder de huur kwijtscheldt – met uiteraard een impact op de eigen omzet als verhuurder – waarbij dan weer de vraag ontstaat of deze werkwijze tot een herziening van de btw-aftrek kan leiden (het antwoord hierop is trouwens ‘neen’). Een tweede denkpiste die soelaas kan brengen, is een opschorting van de te betalen huur. Dit heeft tot gevolg dat ofwel – in geval van facturatie – de btw verschuldigd wordt en men als verhuurder de btw moet voorfinancieren (maar waarbij de huurder wel extra ademruimte krijgt), ofwel met de huurder een uitstel van betaling overeengekomen wordt voor een aantal maanden. Dit btw-eetje levert dus een win-winsituatie op voor beide partijen, met weinig negatieve gevolgen voor de omzet van de verhuurder.”

Wat is jouw visie op de btw-steunmaatregelen die de federale overheid nam om de bedrijven extra zuurstof te geven tijdens de coronacrisis?

SR: “Ik heb gemengde gevoelens bij dit beleid. De steunmaatregelen waren (en zijn) zeker een verdienstelijke poging om ondernemers extra zuurstof te geven, maar die ademruimte zal jammer genoeg onvoldoende blijken. Persoonlijk vind ik dat de toewijzing van schaarse financiële middelen doelgerichter had mogen gebeuren, namelijk aan sectoren die het momenteel nog steeds zeer hard te verduren hebben. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de evenementensector die nog steeds niet de kans gekregen heeft om een doorstart te maken. Het is geen toeval dat net nu [september 2020, nvdr] de Vlaamse overheid deze sector een nieuwe reddingsboei toegooit in de vorm van een aanvraag voor een terugbetaalbaar voorschot (van 25.000 tot 800.000 euro). Als een evenement geannuleerd wordt door overheidsmaatregelen, moet een ondernemer dit voorschot niet terugbetalen, mits inachtneming van een aantal voorwaarden. Deze maatregel juich ik toe, maar toont ook de versnippering aan in het overheidsbeleid.

De voorjaarsmaatregel om bedrijven tijdelijk uitstel te geven voor de btw-aangifte, was een halfslachtige oplossing. Uiteindelijk moet de aangifte enkele maanden later toch ingediend worden, waardoor deze extra last als een boomerang terugkomt in het gezicht van de belastingplichtige. In de praktijk merk ik trouwens dat heel wat bedrijfsleiders onvoldoende beseffen hoe belangrijk het is om reserves opzij te zetten voor de betaling van toekomstige btw-schulden.

Een fundamentele gezondheids- en economische crisis is trouwens niet op enkele maanden van de baan. Daarom was een uitstel van bijvoorbeeld twee jaar een betere oplossing geweest, al besef ik ook dat dit een aanzienlijke impact zou hebben gehad op de overheidsfinanciën.”

“Ik raad ondernemers aan om voldoende reserves opzij te zetten om toekomstige btw-schulden zonder problemen te kunnen betalen.”

Welke btw-topics staan momenteel volop in de actualiteit?

SR: “Een van de hete hangijzers op dit moment is de discussie over de eventuele btw-vrijstelling van paramedische beroepen. Van de tientallen paramedische beroepen in ons land zijn er een aantal – zoals onder andere kinesitherapeuten – waarvoor de btw-spelregels (redelijk) duidelijk zijn. Maar voor andere beroepen (bijvoorbeeld diëtisten) bestaat nog veel onduidelijkheid. De wetgever slaagt er voorlopig niet in om de vraag te beantwoorden op basis van welke criteria een paramedisch beroep btw-vrijgesteld kan worden of blijven.

Door een gebrek aan wettelijke omkadering hebben paramedici bij de uitoefening van hun activiteiten de keuze: ofwel btw aanrekenen met de mogelijkheid tot btw-aftrek, ofwel geen aanrekening van btw en dus ook geen btw-aftrek. De fiscale administratie staat deze keuze tijdelijk toe op basis van een aantal arresten. De zoektocht naar criteria om een paramedicus btw-vrijgesteld te maken, is geen eenvoudige opdracht. Toch lijkt het erop dat de volgende drie vragen een belangrijke rol zullen spelen bij het bepalen van vrijgestelde prestaties: is het beroep in kwestie erkend of niet? Is een RIZIV-nummer nodig voor het leveren de prestatie? En moet er een kwalificatiebewijs kunnen voorgelegd worden?

Een van de knelpunten in deze discussie is de vraag of een btw-vrijstelling groen licht krijgt als slechts op een van deze drie vragen positief geantwoord kan worden. Of anders gezegd: is een kwalificatiebewijs voldoende bij een niet-erkend paramedisch beroep zonder RIZIV-nummer? Of nog: is kwalificatie synoniem met erkende scholing, of volstaat het om voldoende opleidingsuren (via werkervaring) te kunnen aantonen? Dit zijn pertinente vragen waarop nog geen eenduidig antwoord bestaat.

Ik wil dit illustreren met een concreet voorbeeld. Een tatoeëerder rekent in de regel 21 procent btw aan, omdat hij of zij esthetische ingrepen uitoefent. Maar geldt dit btw-tarief ook bij een correctieve (en dus niet louter esthetische) tatoeage bij een kankerpatiënte die een borstamputatie onderging? Als je weet dat tatoeëerder geen erkend beroep is – en hiervoor ook geen (erkende) opleidingsinstellingen bestaan – lijkt het voor hand liggend dat hij of zij ook bij medische handelingen btw zal moeten aanrekenen. Maar wat dan met een tatoeëerder met vele jaren werkervaring die in opdracht van een chirurg correctieve tatoeages plaatst? Kan hij of zij btw-vrijgesteld worden omwille van medische prestaties? Vele vragen waarop we nog geen antwoord kennen…

En ook binnen het esthetisch circuit duiken steeds meer btw-vragen op. Zo verplicht de wetgever een arts of chirurg die esthetische ingrepen doet, om btw aan te rekenen. Maar een tandarts die tanden bleacht, is dan weer vrijgesteld. Deze ongelijke behandeling voelt onrechtvaardig aan en doet ons twijfelen aan het gelijkheidsbeginsel.

Een tweede actueel btw-thema zet beroepsoprichters (ofwel bouwpromotoren) in de kijker, met de vraag of en wanneer zij gerenoveerde gebouwen met toepassing van registratierechten (in plaats van btw) kunnen verkopen. In deze discussie staat de ’60 procent-regel’ centraal. Deze regel stelt dat, als de kosten voor de verbouwing meer bedragen dan 60 procent van de waarde van het onroerend goed (exclusief de grond) na de werken, er een nieuw gebouw ontstaat. Voor een beroepsoprichter worden nieuwe gebouwen als voorraadgoederen gekwalificeerd, die dus in de regel altijd met btw te verkopen zijn. Als het echter gaat om een oud gebouw dat hij vernieuwd heeft, tolereert de wetgever dat een beroepsoprichter een gebouw kan verkopen met toepassing van het registratierecht (dus aan 10 procent in plaats van 21 procent btw). Die tolerantie staat niet in de wet, maar is er gekomen op vraag van de vastgoedsector.

Voor die sector zijn er nog tal van andere btw-eetjes die de moeite waard om nauwgezet op te volgen. Zo blijven er vele vragen rijzen over het recente stelsel van optionele btw-heffing bij onroerende verhuur, dat van kracht is sinds 1 januari 2019. In een notendop: dit stelsel biedt professionele verhuurders de kans om gebouwen, waarvan de materiële bouwwerken dateren van na 1 oktober 2018, met btw te verhuren aan btw-plichtige huurders, zodat deze laatste doelgroep recht op btw-aftrek heeft. Deze maatregel wordt als een ingrijpende btw-maatregel beschouwd, maar de geldende voorwaarden zijn jammer genoeg niet altijd even duidelijk. In zowel mijn boeken als tijdens de webinars ga ik hier dieper op in.

Ook de btw-aspecten bij de verhuur van vakantiewoningen doen vaak de wenkbrauwen fronsen. Als basisregel geldt dat de verhuur van vakantiewoningen vrijgesteld is van btw. Maar als de verhuur vergezeld wordt van bijkomende diensten die overeenkomen met hoteldiensten, dan kan de verhuur alsnog onderworpen worden aan 6 procent btw, en bedraagt de btw-aftrek van de oprichting van het gebouw 21 procent.

De voorwaarden voor deze btw-toepassing zijn het vervangen van linnen óf het reinigen van de kamer óf het aanbieden van een ontbijt. Het voldoen aan een van deze voorwaarden volstaat om een hotelfunctie te verkrijgen, waardoor men als verhuurder btw-plichtig wordt (met dus ook een recht op btw-aftrek). Toch heerst er al geruime tijd de discussie over hoe de onthaalfunctie ingevuld moet worden: de fiscale administratie behoudt haar standpunt dat het onthaal fysiek moet gebeuren, terwijl de Dienst Voorafgaande Beslissingen zich soepeler opstelt en een digitaal onthaal toelaat.

Los van deze discussie gaan verhuurders van vakantiewoningen tijdens deze moeilijke coronatijden op zoek naar creatieve oplossingen – die flirten met de wettelijke krijtlijnen – om via het recht op btw-aftrek financieel het hoofd boven water te houden.”

Hartelijk dank voor dit interview.

Auteur: Geert Van Cauwenberge

Dhr. Stefan RUYSSCHAERT
Adviseur FOD Financiën